• FB

Het mysterieuze Gentleman’s Agreement

Bijgewerkt: 10 nov 2020

Bij zijn verhoor door de Parlementaire Enquêtecommissie op 30 juli 1948 overhandigde admiraal Johannes Furstner, opperbevelhebber van de Marine en tevens minister van Marine in Londen, een mysterieus document, dat het ‘Gentleman’s Agreement’ werd genoemd. Het bestond uit een overeenkomst tussen de Engelse en Nederlandse inlichtingendiensten in de personen van Euan Rabagliati en François van ’t Sant. Zij zouden de exclusieve verantwoordelijkheid krijgen voor het inlichtingenwerk in Nederland en daarbij nauw samenwerken. Maar wie had het wanneer en met welk doel opgesteld?


De verhouding tussen de Engelse regering en veiligheidsdiensten aan de ene en de regeringen-in-ballingschap en hun geheime diensten aan de andere kant was vanuit het Engelse gezichtspunt niet bepaald eenvoudig. Vrijwel alle geallieerde regeringen-in-ballingschap waren ‘debilitated by intrigue and faction’, aldus een Engelse bron. Desmond Morton, de man die voor Churchill het contact met deze regeringen onderhield, werd geconfronteerd met het ‘incestuous social life of Europe’s London-based exiles’, schreef zijn biograaf. De Nederlandse regering was daarop in de eerste tijd in Londen geen uitzondering. Niet voor niets controleerde de Engelse inlichtingendienst het telefoonverkeer, ook van de ministers.

Wel bestond er aanvankelijk een voortreffelijke samenwerking tussen de Engelse Secret Intelligence Service (SIS) en de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst (CID) toen die onder leiding stond van Van ’t Sant, van juli 1940 tot midden augustus 1941. Hij was realist genoeg om in te zien dat de Engelsen aan het roer stonden als het om inlichtingenwerk ging. De Nederlandse inspanningen op dat gebied moesten noodzakelijkerwijs de prioriteiten van de geallieerde oorlogsvoering volgen. Zoals hij voor de Parlementaire Enquêtecommissie (PEC) verklaarde:

Wij werkten toch gezamenlijk voor het grote doel en aan de kop in Engeland stonden de Engelsen. Dus: wij verleenden assistentie aan de Engelsen met de plaatselijke bekendheid, die wij van Nederland hadden […]. Maar de opperste leiding heeft altijd berust bij de Engelsen; die waren nu eenmaal in hun land de experts op het gebied van inlichtingendiensten. Moet je zeggen: zij hebben ons te dienen, wij doen niet meer voor de Engelsen, zolang zij niet dat en dat doen? Ik zou zeggen: je verliest dan uit het oog het doel, waarvoor je werkt.

Dat was precies wat er gebeurde onder zijn opvolgers: Robert Derksema, die tot februari 1942 hoofd van de CID was, en vervolgens Mattheus de Bruyne, die dat tot juni 1942 bleef. Derksema wilde geen nieuwe Nederlandse agenten ter beschikking stellen voor uitzending ‘zolang wij van de Engelse instanties geen toezegging hadden, dat wij volledig in alles, wat de uitzending betrof, zouden worden gekend’. Onder zijn bewind werden geen agenten uitgezonden. De Bruyne deelde de Engelsen mee: ‘samenwerking tussen de Nederlandse en de Engelse dienst betekent, dat de Engelse dienst zich zeker beschikbaar moet stellen voor opdrachten, die van de Nederlandse Regering afkomstig zijn.’ Dat zagen de Engelsen toch anders.


De werkplek van Derksema: 82 Eaton Square

Tijdens de Eerste Wereldoorlog als Royal Flying Corps Eaton Hospital. © IWM Q 33992

En 73-82 Eaton Square in 1958, London Metropolitan Archives, LCC Photograph Library.


Een steen des aanstoots voor de Nederlandse dienst was de wijze waarop de telegrammen uit bezet gebied werden aangeleverd: niet letterlijk, maar in parafrase. Zoals Rabagliati in 1949 aan PEC-voorzitter Donker verklaarde: ‘if you gave the telegrams verbatim, you also gave away the code. I would never have given the telegrams, but only the contents. The Dutch all came back and said that they had not had the telegrams. I told them “no”, and that they never would get them all. Derksema was always complaining about this.’ Toen Donker hem vertelde dat de Nederlanders later wel de volledige telegrammen kregen, antwoordde Rabagliati: ‘there are a lot of damned fools in the world.’


Onder Derksema en De Bruyne verslechterde de verhouding met SIS om in een knallende ruzie te eindigen. Dat lag niet alleen aan de machtsverhoudingen tussen beide diensten en aan botsende karakters, maar ook aan – zoals SIS dat zag – onervarenheid, incompetentie en gebrek aan security bij de Nederlandse dienst.

Nadat De Bruyne was vertrokken als hoofd CID, kwam deze Nederlandse veiligheidsdienst tot stilstand. Pas eind 1942 werd ze enigszins vlot getrokken en vanaf maart 1943, onder leiding van Jan Somer, ontstond weer een goede samenwerking met SIS. Rabagliati had toen plaats gemaakt voor Charles Seymour als hoofd van de Nederlandse sectie van SIS.


De werkplek van Rabagliati: Room 055A, War Office, Whitehall.

Guards on duty outside the War Office © IWM H 1601 en Main Building, War Office, Whitehall. © IWM H 42536


Maar nu dat mysterieuze Gentleman’s Agreement. In juli 1948 vertelde Furstner de Enquêtecommissie dat hij het stuk had gekregen van het toenmalige hoofd van de Centrale Inlichtingendienst De Bruyne, die ressorteerde onder zijn departement van Marine. Hij las het langzaam voor, ‘want het is zeer merkwaardig’:

  1. Colonel Rabagliati and van ’t Sant will take the Oath of Secrecy to the English and Dutch Services if, in future, they work, from each side, in absolute accordance with one another, also, that they know implicitly everything that is done by the English, Dutch and other Nationalities in the Netherlands.

  2. That only when no agreement is reached between colonel Rabagliati and van ‘t Sant, would they ask decisions of their respective Governments.

  3. That all proposals from the Chief of the Dutch Intelligence Service should be set before Colonel Rabagliati and van ‘t Sant for advice.

  4. That no other person intervenes between the Ministers and the Chief of the Dutch Intelligence Service except Colonel Rabagliati and van ‘t Sant.

  5. That direct contact between Colonel Rabagliati, van ‘t Sant and the Chief of the Secret Service must be permitted.

  6. That Colonel Rabagliati and van ‘t Sant must be allowed to take decisions.

Er blijkt, aldus Furstner, uit dat dit tweemanschap alle macht naar zich toe wilde trekken en de Nederlandse regering praktisch helemaal buiten spel wilde zetten.

Maar vervolgens begon strategisch geheugenverlies de betrokkenen parten te spelen. Het stuk was ongedateerd en over de herkomst tastten alle getuigen en dus ook de Enquêtecommissie in het duister. Niemand kende het document. De Bruyne ontkende met stelligheid dat hij het aan zijn minister had gegeven. Hij had het nooit gezien. Van ’t Sant idem dito. Ook andere bij de CID betrokkenen hadden er nooit iets mee te maken gehad. Gerbrandy voor de PEC: ‘Dit stuk is zo irreëel, dat het op mij een ridicule indruk maakt.’

Zou het soms uit de koker van Hazelhoff Roelfzema gekomen kunnen zijn, vroeg men zich af? Dat was niet het geval. Bij een volgend verhoor voor de PEC meende Furstner zich te herinneren dat Rabagliati ‘de verantwoordelijke man’ was: de man ‘die door een zekere macht, die hij had – en dat zou kloppen met dat documentje -, de greep had op wat er werkelijk gebeurde.’


De werkplek van De Bruyne: Hereford House, North Row.

The Times, 2 januari 1939 en 8 oktober 1930. Hereford House was het gebouw van C&A, waar het ministerie van Marine de vijfde verdieping betrok, met als adres North Row (de achterkant).


Het bezoek van PEC-voorzitter Leendert Donker aan Londen in 1949 om zijn conclusies over het Englandspiel te toetsen bracht op dit punt, misschien wel het enige, meer licht. Na het vertrek van De Bruyne per 1 juni 1942 was Van ’t Sant opnieuw in beeld gekomen om de Nederlandse inlichtingendienst te leiden. De dienst zou worden ondergebracht bij het departement van Justitie. Gerbrandy en Wilhelmina alsmede de verantwoordelijke minister, Jan van Angeren, waren daarmee akkoord gegaan en er vonden enkele besprekingen over dit arrangement plaats. Tegen deze achtergrond was kennelijk het mysterieuze stuk opgesteld: om de Nederlandse inlichtingendienst en de samenwerking met SIS in juni 1942 weer op de rails te zetten, met Rabagliati en Van ’t Sant opnieuw in de hoofdrollen.

Jazeker, vertelde Rabagliati aan Donker tijdens het gesprek dat ze op 10 oktober 1949 in Londen hadden, hij herinnerde zich dit stuk heel goed. ‘The terms of the agreement had been approved by the Queen, Gerbrandy, Van ‘t Sant and Furstner. De Bruyne had tried to stop it but had not been successful.’ Rabagliati herinnerde zich dat hij een lange conferentie over het document had gehad met Gerbrandy in Brown’s Hotel, midden juni 1942. ‘There had been a stormy meeting, and the paper had been produced, he thought, by Gerbrandy. […] He suggested that Dr. Donker should remind Professor Gerbrandy of the meeting in Brown’s Hotel in June, 1942. He was proud of the document, as at least it gave him the opportunity of taking positive action.’ Maar om het te publiceren? Dat leek hem geen goed idee. In ieder geval is het Gentleman’s Agreement niet uitgevoerd. Van ’t Sant werd slechts informeel en voor enkele maanden aangesteld als hoofd van de CID ‘voor de vergaring van politieke inlichtingen in samenwerking met MI6 [SIS]’. Van ’t Sant en Rabagliati verlieten beiden in 1942 het toneel van de inlichtingendiensten.


De werkplek van Van 't Sant: 77 Chester Square.

77-80 Chester Square in 1958, London Metropolitan Archives, LCC Photograph Library.

Bronnen

Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek 4A-B, 4C-I en 4C-II (’s-Gravenhage 1950).

Nationaal Archief (NA), Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, 2.02.27, inv. nrs. 471, 550 en 696 (verhoren J.Th. Furstner).

Peter Wilkinson and Joan Bright Astley, Gubbins and SOE (London 1993).

Gill Bennett, Churchill’s Man of Mystery: Desmond Morton and the World of Intelligence (London 2007).

The National Archives, FO 371/79559: Parliamentary Commission of Enquiry concerning conduct of clandestine operations in the Netherlands during World War II (Englandspiel case). Gevonden via: NA, F.A.C. Kluiters, 2.21.424, inv.nr. 197.

Frans Kluiters, De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten (’s Gravenhage 1993).

50 keer bekeken

© 2019-2020 by Becker & Becker.