• FB

Drie Engelandvaarders en de missie van Bob van der Stok

Het plan om de politicus en verzetsman Wiardi Beckman vanaf het Scheveningse strand naar Engeland te brengen zou nooit tot stand gekomen zijn, als niet drie jonge mannen in juli 1941 op een vrachtschip uit het bezette Nederland naar Engeland waren ontkomen.

Die drie waren Erik Hazelhoff Roelfzema, Bob van der Stok en Peter Tazelaar. Het schip was de St. Cergue, een vrachtschip van een Zwitserse eigenaar met een Zwitserse kapitein dat onder Panamese vlag voer. De St. Cergue was op 3 mei 1940 in de Rotterdamse haven gestrand. Het werd verplaatst naar de Wilhelminahaven in Schiedam en kreeg in het voorjaar van 1941 van de Duitsers toestemming om te vertrekken. Dat raakte bekend in verzetskringen. Waarheen het zou gaan, was onbekend.


Frits van der Schriek was een clubgenoot in Leiden van Hazelhoff Roelfzema – een van De Musketiers, zoals de jaarclub zichzelf gedoopt had. Hij was al heel vroeg betrokken bij verzetsactiviteiten, namelijk het verzamelen van militaire inlichtingen en hulp bieden om mensen uit bezet gebied te laten vluchten. Toen Hazelhoff Roelfzema zijn doctoraal deed in Leiden, bleek Van der Schriek er ook te zijn. ‘Moet je nog naar Engeland?’, vroeg hij, wetend dat Hazelhoff al enkele malen geprobeerd had weg te komen. Van der Schriek had waarschijnlijk over de St. Cergue gehoord van gezagvoerder Drost van de Holland Amerika Lijn, die informatie over scheepsbewegingen aan de Rotterdamse Ordedienst doorgaf. Men had moeite een bemanning voor het vrachtschip te vinden. Van der Schriek had zijn studievriend opgegeven als hulpkok en kajuitjongen en bezorgde hem de benodigde papieren.


Peter Tazelaar, die een jaar lang de adelborsten-opleiding had gevolgd, was voor de verzetsgroep van Joan Schimmelpenninck gegevens in het Rotterdamse havengebied gaan verzamelen. In een kroeg hoorde hij dat een schip naar New York zou vertrekken. Het bleek om de St. Cergue te gaan. Ook hij had al eerdere pogingen ondernomen om uit Nederland weg te komen. Onder een valse naam monsterde hij aan en werd samen met een andere matroos gevraagd om een week of twee achterstallig onderhoud aan het schip te verrichten: ‘een beetje schilderen en schuren’. Toen het schip vertrok kwam hij Hazelhoff Roelfzema tegen: beiden vielen ze in voor de stokers die te dronken waren om hun werk te doen.

Juli 1941, staand v.l.n.r.: Buitendijk, Van der Stok en Tazelaar, zittend: Volkersz en Hazelhoff Roelfzema.

In de ochtend van 1 juli 1941 voer het konvooi ‘Ostgeleit 1220’ bij Hoek van Holland de Noordzee op. Het konvooi bestond uit de St. Cergue en één Duitse, twee Deense en twee Noorse vrachtvaarders. De bestemming was Cuxhaven aan de monding van de Elbe. Vandaar ging de St. Cergue zijn eigen weg, langs de Noorse kust en vervolgens in westelijke richting. Inmiddels hadden Hazelhoff en Tazelaar Bob van der Stok gevonden, die als verstekeling meevoer. Van der Stok die in de meidagen van 1940 jachtvlieger was geweest, had zich al vroeg bij het verzet aangesloten en had verschillende pogingen gedaan naar Engeland te ontkomen. Hij was naar de St. Cergue gezwommen, aan boord geklommen en had zich daarna verstopt. Aan minister-president Gerbrandy schreef hij in september 1941: ‘Als Stowaway heb ik mij 12 dagen onder de vloer van de machinekamer schuil gehouden. De ruimte was donker, 50 cm hoog zoodat ik niet kon zitten, zeldzaam vies en bood natuurlijk geen gelegenheid tot de meest noodzakelijke hygiène.’


Tazelaar en Hazelhoff Roelfzema hadden de vervuilde Van der Stok in zijn schuilplaats ontdekt – en beiden bleken hem te kennen: Hazelhoff uit zijn middelbare schooltijd op het Nederlandsch Lyceum in Den Haag, Tazelaar uit de verzetskring rond Schimmelpenninck. Alle drie waren in Nederlands-Indië geboren. Van der Stoks missie was om een goed lopende verbinding tot stand te brengen tussen de regering in Londen en de verzetsorganisaties in bezet gebied. Hij was door Schimmelpenninck wel gewaarschuwd om één man in Londen niet te vertrouwen: François van ’t Sant, particulier secretaris van koningin Wilhelmina en op dat moment nog net chef van de Nederlandse inlichtingendienst, de CID.

Toen de St. Cergue in de buurt van de Faeröer Eilanden werd aangehouden door de Britse kruiser HMS Devonshire meldden de drie zich onmiddellijk om naar Engeland te gaan. Ook twee gewone bemanningsleden maakten, tot grote ergernis van de kapitein, van de gelegenheid gebruik om te drossen: Toon Buitendijk en Gerard Volkersz. De mannen werden in Tornshavn op de Faeröer Eilanden ondergebracht om op transport naar Londen te wachten. Daar vertelde Bob van der Stok aan Hazelhoff en Tazelaar over zijn plannen voor een verbinding over zee tussen Engeland en Nederland om geheim agenten af te kunnen zetten en radiocontact te leggen tussen het verzet en de Nederlandse autoriteiten in Londen.

Met een oud schip werden ze naar Edinburgh en vandaar per trein naar Londen gebracht, waar ze op 23 juli 1941 aankwamen. Daar ondergingen ze de gebruikelijke screening van Engelandvaarders in de Royal Victoria Patriotic School, kortweg Patriotic School. Eind juli liepen ze als vrije mannen door Londen. Vanzelfsprekend stond een bezoek aan de koningin op het programma. Zij ontving altijd degenen die vanuit bezet gebied naar Engeland waren ontkomen: dat vormde voor haar ‘het contact tussen ons en het vaderland’. Van der Stok beschreef de visite: ‘Diep onder de indruk schudden wij onze vorstin ongehandschoend de hand, iets wat vroeger, en zeker in de militaire dienst, alleen met handschoenen aan gedaan zou zijn. De koningin was bijna tot tranen geroerd en wilde alles van Holland weten. Het bezoek was geheel onofficieel en wij konden vragen met ja en nee beantwoorden. Wij zaten in de fauteuils in de zitkamer van het prachtige, maar, althans voor een koningin, betrekkelijk eenvoudige landhuis even buiten Londen.’


So far so good. Maar met de missie van Van der Stok ging het helemaal niet goed. Er waren verzetsmensen in Nederland die ervan overtuigd waren dat zij inlichtingen doorzonden naar Londen. Van der Stok had daaraan al getwijfeld, maar hij kwam er al gauw achter dat van een dergelijke verbinding geen sprake was. Toen hij de vraag voorlegde aan Johannes Nuboer, adjudant van de bevelhebber der Zeestrijdkrachten luitenant-admiraal Johan Furstner, die wel werd vertrouwd door Schimmelpenninck, kon deze hem meedelen dat er ‘nooit een verbinding was geweest’. Het urgentiegevoel van Van der Stok, Hazelhoff en Tazelaar werd er alleen maar door aangewakkerd. Want als de Engelsen de berichten niet opvingen, wie dan wel?

Bij de Nederlandse autoriteiten in Londen bestond geen belangstelling voor zijn plannen. Van der Stok had zich, zoals hij aan Gerbrandy schreef, bij hen aangeboden voor: ‘A. teruggaan als parachutist. B. verbindingen tot stand brengen met Holland. C. teruggaan per bootje. D. menschen ophalen per bootje. E. menschen ophalen per vliegtuig. F. Postverbinding vliegen. G. Jachtvlieger in de R.A.F.’ Na een maand had hij nog geen enkele reactie, behalve van de RAF. Ontgoocheld gaf hij zijn plannen op en werd vlieger bij de Royal Air Force.

‘Ik ben overal op tegenwerking gestuit en kreeg sterk den indruk dat vele personen hier in Engeland bang zijn hun positie aangetast te zien als zij ook maar eenige raad of wat ook van jongeren aannemen; zelfs een nieuw plan of een nieuw idee wordt bij voorbaat reeds afgebroken. De Nederlandsche volkswil en mentaliteit is geheel veranderd in het laatste jaar; dit wordt door de meeste Hollanders in Engeland totaal niet begrepen. Men doet wel alsof maar toch willen hij hùn inzichten gehandhaafd zien. […] Ik heb in Holland mijn ouders, mijn verloofde, mijn broers en zusters, mijn studie, kortom alles in de steek gelaten om Koningin en Vaderland te dienen. Voor niets anders ben ik gekomen want na deze oorlog vat ik mijn studie weer op en ga mijn eigen gang. Ik vraag mij af of alles wel de moeite waard is geweest, of ik niet beter in Holland had kunnen blijven. Zeker is dat ik mijn land beter daar gediend heb dan in die twee maanden dat ik uit Holland weg ben. Ik hoop dat vele dingen veranderd worden en dat vele Hollanders in Engeland langzamerhand willen inzien en begrijpen dat zij een voorbeeld moeten nemen aan hun landgenoten in het bezette gebied die daadwerkelijk de tanden op elkaar zetten.’

Hazelhoff Roelfzema nam het stokje over en slaagde er, ondanks tegenwerking en desinteresse, uiteindelijk in om de plannen voor een verbinding met bezet gebied via de zee te realiseren. De organisatie zou de geschiedenis ingaan als Contact Holland. De aanvankelijk zo gewantrouwde Van ’t Sant was daarbij aan Nederlandse zijde een steunpilaar – met achter zich Wilhelmina, Gerbrandy en Prins Bernhard. Maar de beslissende steun kwam van de Engelse inlichtingendienst MI6 (ook wel SIS), waar colonel Euan Rabagliati het project onder zijn hoede nam: ‘Het onmogelijke werd door hem mogelijk. De wijze, waarop hij de Engelsche instanties als de Navy, de Air-Force e.a. hun onmisbare medewerking deed verleenen, grenst aan het onwaarschijnlijke’, aldus Hazelhoff.


Hij en Van der Stok bleken na de oorlog, bij hun verhoren voor de Parlementaire Enquête Commissie naar het Regeringsbeleid in Londen 1940-1945 sterk uiteenlopende verhalen te hebben over hoe het nu precies gegaan was. Hazelhoff Roelfzema meende dat Van der Stok het bijltje erbij neer had gegooid en – ontmoedigd – zich bij de RAF had gemeld. Van der Stok daarentegen hield vol dat Hazelhoff er met zijn plan vandoor was gegaan: hij zou het onderschept, eigenlijk gestolen, hebben en onder eigen naam hebben gepresenteerd. Daarna hield Van der Stok het voor gezien. Die visie werd door Hazelhoff bestreden – en door Tazelaar onwaarschijnlijk geacht. De Commissie kwam er niet uit, en zeker nu is de waarheid daarover niet meer vast te stellen.


Van der Stok werd in april 1942 met zijn Spitfire neergeschoten boven Frankrijk en belandde als krijgsgevangene in kamp Stalag Luft III. Tijdens een spectaculaire ontsnapping in maart 1944 wisten 77 gevangenen via een tunnel buiten het kamp te komen. Slechts drie – twee Noren en Van der Stok – bleven uit handen van de Duitsers. Van der Stok bereikte via Nederland, België, Frankrijk, Spanje en Gibraltar opnieuw Engeland. Als commandant van een Nederlands squadron nam hij tot het eind aan de oorlog tegen Nazi-Duitsland deel. Hij werd een van de meest gedecoreerde oorlogsvliegers. Over de ontsnapping uit het krijgsgevangenkamp werd in 1963 de film The Great Escape, naar het boek van Paul Brickhill, gemaakt, waarbij Van der Stok (maar dan als Australisch officier) werd gespeeld door James Coburn.

Van der Stok overleed in 1993 in Virginia als Amerikaans staatsburger.

Bronnen:

Bob van der Stok, Oorlogsvlieger van Oranje (Haarlem 1980).

Frits van der Schriek, De onzichtbare musketier. Achter de schermen van Soldaat van Oranje (Baarn 2018).

Victor Laurentius, De Grote Tazelaar. Ridder & Rebel (z.pl. 2009).

Erik Hazelhoff Roelfzema, Soldaat van Oranje (Utrecht 2008).

René E. Taselaar en Jac. J. Baart, ‘Het stoomschip St. Cergue’, Terugblik 2 (2014) 2-10.

Brief van B. van der Stok aan Gerbrandy, 3 september 1941, Nationaal Archief (NA), Collectie 155 P.S. Gerbrandy, 2.21.068, inv.nr. 56.

Rapport op het tot stand brengen van het Contact Holland door S.E. Hazelhoff Roelfzema, NA, Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 (PEC), 2.02.27, inv.nr. 111, bijlage 10-I.

Bram van der Stok, NA, PEC, 2.02.27, inv.nr. 636; Hazelhoff Roelfzema, ibidem, inv.nr. 663; Tazelaar, ibidem, inv.nr. 757.

Foto's:

Van der Stok, Oorlogsvlieger van Oranje (Haarlem 1980).

Taselaar en Baart, ‘Het stoomschip St. Cergue’, Terugblik 2 (2014).

Het Vrije Volk, 29 oktober 1977.

116 keer bekeken

© 2019 by Becker & Becker.