© 2019 by Becker & Becker.

  • FB

Reserve eerste luitenant Dr. H.B. Wiardi Beckman

Bijgewerkt: 27 okt 2019

In de ochtend van 10 mei 1940 reed Herman Bernard Wiardi Beckman – Stuuf voor zijn vrienden – van zijn huis in de Pernambucolaan in Overveen naar het Algemeen Hoofdkwartier (AHK) van de Generale Staf van de Nederlandse strijdkrachten, Lange Voorhout 7 in Den Haag. Enkele uren daarvoor was het Duitse leger Nederland binnengevallen.

Algemeen Hoofdkwartier, Lange Voorhout 7, 1943. Fotograaf E.M. van Ojen, collectie Haags Gemeentearchief.

De taxi die hem had opgehaald ging dwars door een gebied waar inmiddels al hevig gevochten werd. Duitse parachutisten en luchtlandingstroepen waren op de vliegvelden rond Den Haag geland in een poging snel het regeringscentrum te kunnen innemen. Niet alleen de vliegvelden maar ook het militaire kamp Waalsdorp en de Nieuwe Alexanderkazerne aan de Van Alkemadelaan werden gebombardeerd. Het 13e depot bataljon was om 4 uur ’s ochtends opgeroepen om het AHK te beschermen tegen parachutisten en laagvliegende vliegtuigen. Langs alle kanten van het gebouw zetten ze de straten af en ze controleerden passerende trams en voertuigen op parachutisten. De 2e sectie van het 5e compagnie, onder leiding van adjudant onderofficier instructeur Jacob Sundermann, was ingezet langs de Lange Voorhout, Kneuterdijk en Parkstraat. Hij rapporteerde een vliegtuigbom op de Casuariestraat, waarvan scherven op de Lange Voorhout terechtkwamen, doch niemand troffen.


Bewijs van toegang voor het AHK. Familiearchief Wiardi Beckman.

Het werd Wiardi Beckmans vuurdoop. Hij bereikte zijn bestemming, maar op de foto van zijn toegangspas voor het AHK is de ontzetting nog van zijn gezicht te lezen. Zijn beslissing om zich te melden voor actieve militaire dienst, ruim een half jaar eerder, was opmerkelijk geweest. Hij was een nog jonge, maar toch al prominente vertegenwoordiger van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP): hoofdredacteur van de sociaaldemocratische bladen, lid van de Eerste Kamer en vooraanstaand vernieuwer van de socialistische beweging. Tot voor kort had zijn partij zich nog tegen de landsverdediging gekeerd. Het streven naar internationale ontwapening met het gebroken geweertje als symbool, was weliswaar in 1937 officieel losgelaten, maar een belangrijke en sterk gemotiveerde minderheid in de SDAP hield daar nog steeds aan vast. Wiardi Beckman was er echter van overtuigd geraakt dat de dreiging van het nationaal-socialisme Nederland dwong tot militaire weerbaarheid.


In de Eerste Kamer, waar hij sinds 1937 lid van was en zelfs als woordvoerder op het gebied van defensie optrad, droeg hij deze opvatting uit. Ook hij vond, net als de overgrote meerderheid van de Eerste Kamer, ‘dat de Nederlandse weermacht moet worden versterkt, dat Nederland bij de gegeven internationale verhoudingen niet kan achterblijven.’ Hij noemde de gedachte onverdraaglijk ‘dat hier enige tirannie, ook de tirannie van een buitenlandse overheerser, zou komen.’ Tegelijkertijd riep hij op om realistisch te zijn over het oorlogsbedrijf: ‘Wat wij helpen voorbereiden is een werk van verwoesting en van vernietiging van alle beschaving, van massa-moord, waarbij de vrouwen en kinderen niet zullen worden gespaard.’


Zijn overtuiging klonk ook door in ‘zijn’ krant, Het Volk. Daarin schreef hij op 31 januari 1939:

‘Een volk dat zijn onafhankelijkheid wil handhaven en daarmee niet alleen zijn betrekkelijke welvaart, maar ook de hoogste geestelijke goederen van vrijheid, verdraagzaamheid en dienst-van-het-recht, die de beste Nederlandse tradities vertegenwoordigen – zulk een volk moet in de internationale samenleving van onze dagen bereid zijn in het uiterste geval deze onafhankelijkheid met de wapenen te verdedigen.’

Dat het met de vrijheid en verdraagzaamheid niet altijd botertje tot de boom was geweest in de Nederlandse geschiedenis, daarvan was hij zich wel bewust. Maar uiteindelijk waren dit toch de waarden die op het spel stonden.


Zijn politieke overtuiging leidde tot een persoonlijke keuze: hij wilde het vaderland met de wapens verdedigen. En dus meldde hij zich voor de actieve militaire dienst bij minister van Defensie A.Q.H. Dijxhoorn toen in 1939 de algehele mobilisatie werd afgekondigd. ‘Het is niet anders mogelijk’, verklaarde hij beslist. ‘Mijn geweten gebiedt het mij. Want hoe kan ik in de Kamer over militaire zaken spreken, als ik, wanneer het er op aan komt, ook mijn eigen huid niet waag?’ Maar zo eenvoudig ging dat niet. Het lidmaatschap van de Eerste Kamer was, volgens de Nederlandse wetgeving, niet verenigbaar met deelname aan actieve deelname aan de militaire dienst. Dat liet de minister hem weten. Hij werd weliswaar op 9 november 1939 aangesteld als reserve eerste luitenant bij het Reservepersoneel der Landmacht bij het Dienstvak der Reserveofficieren voor Algemene Dienst, maar tegelijkertijd op non-actief gesteld.


Generaal Henri Winkelman inspecteert de erewacht voor het AHK, 8 februari 1940. Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie.

Zijn collega bij Het Volk, Levinus van Looi, hielp later het verhaal de wereld in dat Wiardi Beckman bij de griffier van de Kamer een brief deponeerde waarin hij zijn Kamerlidmaatschap neerlegde zodra Nederland zich in oorlog met Duitsland zou bevinden. Die hoefde dan alleen nog maar geopend te worden wanneer die situatie zich zou voordoen. De griffier van de Eerste Kamer kon dit vijftien jaar later niet bevestigen. Maar wel is zeker dat Wiardi Beckman op 10 mei 1940 per brief liet weten zich verplicht te achten ‘mijn plaats als reserve-officier in het Nederlandse leger in te nemen’ en derhalve ontslag nam als lid van de Kamer. Hij werd niet ingedeeld bij de vechtende troepen, maar bij de sectie GS IIId: de persdienst, onderdeel van de inlichtingendienst van de Generale Staf.


Samen met Maarten Rooij, in het burgerbestaan waarnemend hoofdredacteur van de NRC, stelde hij de radiotoespraak van generaal Winkelman op waarin deze op 15 mei de capitulatie aan de Nederlandse bevolking bekend maakte. De opperbevelhebber achtte die onvermijdelijk geworden na het bombardement op Rotterdam en de dreiging dat Utrecht hetzelfde lot zou ondergaan: ‘Wij hebben de wapens moeten neerleggen omdat het niet anders kon. […] Onze soldaten hebben gestreden met een moed, die onvergetelijk zal blijven. Maar de strijd was te ongelijk […]. Nederlanders! Hebt ondanks deze zware tegenslag, vertrouwen in de onverwoestbare krachten en tradities van ons volk. […] Wij zullen het nieuwe lot, dat ons voorlopig beschoren is, met dezelfde moed en vastberadenheid dragen, als waarmee wij de strijd voor onze zelfstandigheid hebben gevoerd. […] Leve Hare Majesteit de Koningin! Leve het Vaderland!’



Verslag van de commandant van de 5e compagnie van het 13e depot bataljon reserve 1e luitenant A.J. Gissels. Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Den Haag, Gevechtsverslagen en -rapporten mei 1940, Toegang 409, inv.nr. 533059.

Bronnen: Handelingen van Eerste Kamer der Staten-Generaal, 16 februari 1938; Piet Bakker, ‘Dr. H.B. Wiardi Beckman, den opvolger’, Elsevier, 9 november 1946; L.J. van Looi, ‘Dr. H.B. Wiardi Beckman, een der groten uit het verzet’, Bevrijdingsnummer Geestelijk Weerbaar/Voormalig Verzet Nederland, 1965; Familie Archief Wiardi Beckman; NIOD, 185c, 206: Schriftelijke mededeling van de griffier van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, A.L. de Block, aan H. Daalder, 13 oktober 1955.

37 keer bekeken