• TB

18 januari 1942: ‘Stampen, Peter, vooruit, einszwei, einszwei…’

In de nacht van 17 op 18 januari 1942 begaf een klein gezelschap zich opnieuw naar het Scheveningse strand om opgehaald te worden door een boot uit Engeland. Maar deze keer liep het fout. Stuuf Wiardi Beckman, Frans Goedhart en Willem Pasdeloup werden gearresteerd, Gerard Dogger en Peter Tazelaar wisten ternauwernood in halfbevroren toestand te ontkomen.

Gezicht op het wandelhoofd Wilhelmina vanaf een stijf bevroren strekdam, 1920. Foto C.J. de Gilde, collectie Haags Gemeentearchief.

Direct na de oorlog verzamelde de Ordedienst verklaringen van overlevenden om de geschiedenis van de organisatie te boekstaven. Gerard Dogger vertelde in 1946 zijn verhaal aan de laatste chef-staf van de OD Pieter Six. Six stond inmiddels aan het hoofd van het Algemeen Hoofdkwartier van de Ordedienst in Afwikkeling dat ook zorgde voor de belangenbehartiging van OD'ers en hun nabestaanden, financiële vergoedingen en correspondentie over toe te kennen onderscheidingen. In 1976 schreef Dogger in zijn memoires De vierkante maan nog uitgebreider over de gebeurtenissen van die bewuste nacht in januari 1942.


Op 17 januari was het Wilhelmus over Radio Oranje gedeclameerd, het teken dat Erik Hazelhoff Roelfzema en Chris Krediet vanuit Engeland met een Motor Gun Boat zouden oversteken om Tazelaar, Dogger en Beckman op te komen halen. Broer Moonen en Else Kiepe begeleidden hen naar het strand, waar ze zouden wachten op de boot uit Engeland. Die avond verzamelde zich het volgende gezelschap ten huize van Scheepmaker in de Groningsestraat in Scheveningen:

'Moonen had als politie inspecteur vergunning om de boulevard te betreden, zodat hij zich vrij kon bewegen en niemand hem beletten zou met zijn “geliefde” (mevr. Kiepe) op de boulevard te wandelen.’ (Dogger, 1946) Aan het gezelschap was journalist Frans Goedhart toegevoegd, die Dogger kende onder zijn pseudoniem Pieter ’t Hoen. Hij had zich min of meer opgedrongen. Overtuigd dat dit zijn kans was om in Londen zijn verhaal te doen, had hij via de radioverbinding van Aart Alblas in Engeland om toestemming gevraagd om mee te mogen.

Dogger schetste de situatie aan het strand, maar wat op de tekening ontbreekt is de verschrikkelijke kou. De winter van 1941-1942 was sowieso bar, maar dit was een van de koudste nachten. Het vroor meer dan tien graden, de gevoelstemperatuur was min zestien. De temperatuur van het water was een paar graden boven nul.


‘De onder 1 t/m 5 genoemden [Tazelaar, Dogger, Wiardi Beckman, Goedhart en Pasdeloup] hadden zich op het tweede piertje ten noorden van de wandelpier als een groep opgesteld. Toen echter de boot op zich liet wachten, achtte Tazelaar het raadzamer – met het oog op Duitse patrouilles, welker blik spoedig op een dergelijke groep zou vallen – een schuilplaats te zoeken, welke gevonden werd in een onder de boulevard aangebrachte kazemat, waarvan Dogger bekend was, dat deze niet door Duitse patrouilles werd gecontroleerd. De kazemat was goed gecamoufleerd.'


'De toestand was op een gegeven moment als volgt: op de pier bevonden zich Tazelaar, en Dogger die een licht bij zich had om contact te maken tussen de boot en de wachtende passagiers (Tazelaar stond halverwege in het water; had steun van een ter plaatse aanwezig paaltje). In de kazemat waren Wiardi Beckman, Pasdeloup en Pieter ’t Hoen onder dak. Het plan was naar huis te gaan, daar het zich liet aanzien dat de boot niet meer zou komen.’ (Dogger, 1946) Dogger zou de drie mannen in de bunker waarschuwen. Zij zouden direct naar de Groningsestraat teruggaan, Tazelaar zou volgen.


Maar nog voordat Dogger hen naar huis had kunnen sturen, werden ze gearresteerd door een grenspatrouille, die gewaarschuwd was. Het was verraden. Dogger zag het gebeuren vanaf het strand. Hij nam Tazelaar mee en vluchtte, maar hij kon maar één kant op: de zee in.

‘Toen de Duitsers het bovengenoemde drietal bemerkt hadden, was Dogger juist een tiental meter van de plaats des onheils verwijderd. Hij spoedde zich direct terug naar Tazelaar, die hij van het gebeurde op de hoogte stelde. Zij zijn toen samen ca. 200 meter richting het zuiden gelopen (waarbij zij voor het overgrote deel in het water stonden), betraden daar weder het strand en begaven zich huiswaarts. Voor deze afstand van 200 meter hebben zij ruim 20 minuten nodig gehad. Het vroor die nacht 12-13 graden. Tazelaar had de gehele avond reeds in het water gestaan en was als het ware versteend.’ (Dogger, 1946)

Het Scheveningse strand in 1942, collectie Haags Gemeentearchief.


Dogger moest Tazelaar half dragen. Ook hijzelf was niet helemaal bij de tijd: toen ze samen weer over de boulevard liepen had hij het idee ‘in een woestijn te hebben gelopen (droom) en wakker te zijn geworden op de boulevard’. (Dogger, 1946)


‘Peter heb ik onder mijn arm. Buiten westen, maar hij loopt nog. God zij dank! Mechanisch als het Monster van Frankenstein. IJspegels hangen van ons af. Ook van onze broekspijpen. Elke stap klettert op de bevroren straat. Als spijkerschoenen. “Vooruit Peter, we zijn er zo.” Geen reactie. Maar zijn benen bewegen nog. Mijn arm is een bevroren kromme tak. Scheef hangt hij erin. Er is nergens meer enig gevoel. Ik kijk naar hem. De hoge hoed staat losbandig op één oor, vastgevroren. “Nog even Peter, nog even, kerel.” Maar daar is iets, daar … verderop in de straat. Een vaag silhouet, rond van boven met een dikke stok achterop. Het beweegt. Helm … geweer … natuurlijk, o mijn God, een Duitse soldaat. Ik druk Peter een portiek in. Zelf kijk ik om de hoek. Wat doet die daar, waarom dáár? Verdomme, schildwacht! Natuurlijk, daar is een wachtpost. […] “Lopen of doodvriezen,” fluistert iets in mijn brein, ‘niet teruggaan … overkant … donker daar .. marcheren … hard stampen .. klinkt als Duitse soldaat.” Het zijn reflexgedachten. Ze komen uit het niets. Ik trek Peter het portiek uit. De straat over. “Stampen, Peter”, fluisterend, schreeuwend, “verdomme Peter, verdomme stampen.” Niets. “Peter, in Godsnaam, stampen, einszwei, einszwei, stampen.” Smekend sleep ik hem voort. Trekkend beginnen zijn benen. Dank u God. Kletterkletterkletter. “Goed zo, Peter, stampen Peter, einszwei, einszwei,” kletterkletterkletter, “goed zo.” Wij naderen de schildwacht. Hij staat roerloos; schuin voor ons. “Nú Peter, nú harder stampen, einszwei, einszwei, einszwei …” “Hij gebaart, die schildwacht heeft argwaan! God, we zijn erbij, erbij!” Paniekgedachten … “Pistool, vlug, kan niet, hand bevroren, verdomme, hopeloos, uit …” kletterkletterklet … “Nee, nee het is geen gebaar tot stoppen. Toch hoop?” “Hij slaat zich warm …” kletterkletter … “Stampen, Peter, vooruit, einszwei, einszwei …” En dan zijn we er voorbij.’ (Dogger, De vierkante maan, 1979)


Hoe lang zou Peter Tazelaar in het water hebben gelegen voordat hij zijn bewustzijn verloor? Toen hij wakker werd in de Groningsestraat, was het piertje het laatste dat hij zich herinnerde. Zes aspirientjes en driekwart kruik jenever had hij nodig om bij te komen.


Het was Hazelhoff en Krediet die nacht inderdaad niet gelukt de afgesproken plek te bereiken. Hun boot was te laat en was bovendien niet bij Scheveningen, maar bij Katwijk uitgekomen.

Bronnen: * Verslag van mededelingen, gedaan door den Ltz. II G.A. Dogger op 20 september 1946, ten burele van den Kolonel Jhr. P.J. Six, v.m. Chef Staf O.D., Parkstraat 26, den Haag, en verbeterd en bijgewerkt in Nov. 1946. NIOD, Algemeen Hoofdkwartier Ordedienst in Afwikkeling, 481, inv. nr. 21. * Gerard Dogger, De vierkante maan. Een persoonlijk oorlogsrelaas (1979).

44 keer bekeken

© 2019 by Becker & Becker.