• FB

De Parlementaire Enquête

Van mei 1940 tot september 1945 had Nederland wel een regering in ballingschap in Londen, maar geen functionerend parlement. De regering had geen verantwoording over haar beleid afgelegd en het parlement had de regering niet kunnen controleren. Hoe zouden de vele vragen die in Nederland leefden over het regeringsbeleid in die periode alsnog beantwoord moeten worden? Al direct na de bevrijding kwam deze kwestie in de pers en in politieke kringen aan de orde en werden verschillende mogelijkheden geopperd.


De Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 kreeg uiteindelijk tot taak een onderzoek in te stellen naar ‘de gebeurtenissen, verband houdende met de Duitse inval in Nederland en naar het beleid der opeenvolgende Kabinetten te Londen’.

Tussen 17 februari 1948 en 17 juli 1956 hoorde de commissie 1250 getuigen en deskundigen aan wie ze in totaal 100 045 vragen stelde. De resultaten van haar werk, inclusief de processen-verbaal van de verhoren, werden gepubliceerd in acht delen. In totaal telden ze 14 868 bladzijden, waarvan 4228 aan het eigenlijke verslag waren gewijd, 8656 aan verhoren en 1984 aan bijlagen. Van de acht delen – die elk twee of drie banden omvatten – werden in totaal bijna 21 000 exemplaren verkocht.
Nieuwe Courant, 7 april 1949.

Een van de grote thema’s van de enquête betrof de Nederlandse geheime diensten in Londen en de verbindingen met het bezette gebied. Daartoe behoorde het verzoek aan Wiardi Beckman naar Londen over te komen, het wel en wee van Contact Holland en de operaties van Hazelhoff Roelfzema en de zijnen, alsmede wat later vooral bekend is geworden als het Englandspiel. Wat was de achtergrond voor het instellen van een parlementaire enquête? Hoe solide was het werk van de commissie? En biedt sindsdien vrijgekomen materiaal uit de Londense Archieven extra inzicht en nieuwe informatie? Daarover gaat de komende serie blogs.


Eind juni 1945 stelde Het Parool voor voormalig minister-president Gerbrandy uit te nodigen voor een persconferentie, waarin hij kon antwoorden op ingezonden vragen. Ook het eerste naoorlogse kabinet Schermerhorn-Drees vertrouwde op het oordeel van Gerbrandy en liet in december 1945 aan de voorlopige volksvertegenwoordiging weten dat ze Gerbrandy bereid had gevonden ‘een memorandum samen te stellen, waarin het beleid der op elkaar volgende Londensche Kabinetten zal worden uiteengezet’. Dit voorstel was sommige Kamerleden toch iets te mager. Konden er tenminste bijdragen van de andere ministers in dit memorandum worden opgenomen? En kon het een beetje snel? Anderen wilden een stap verder gaan, onder wie Frans Goedhart van de verzetskrant Het Parool, inmiddels benoemd als Tweede Kamerlid. Hij meende dat hier een zwaarder middel moest worden toegepast: dat van de parlementaire enquête.


Marinus van der Goes van Naters, 1946.

Daar zou het uiteindelijk

ook van komen. Marinus van der Goes van Naters, voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, vatte in juni 1947 de koe bij de horens en diende een voorstel voor een enquête in. Gerbrandy’s ‘memorandum’ Eenige Hoofdpunten van het Regeeringsbeleid in Londen gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 was in zijn ogen wel interessant, maar slechts een persoonlijke getuigenis van de voormalige premier. Het wierp een eenzijdig licht op de Londense tijd en was niet genoeg om rekenschap voor het gevoerde beleid af te leggen. Van der Goes was in 1930 gepromoveerd op Het staatsbeeld der sociaaldemocratie; hij had altijd grote belangstelling gehad voor de organisatie van de staat en versterking van de democratie. Na de oorlog bleef hij streven naar staatkundige vernieuwing, met name door een combinatie van een sterke regering en een sterke volksvertegenwoordiging. Daarom vond hij het belangrijk om het parlement een centrale rol te geven bij het vaststellen van de verantwoordelijkheid voor het beleid dat de regering in ballingschap had gevoerd. De enquête, ‘waarbij de Kamer zelf actief optrad, beëdigde getuigen kon horen (ook ambtenaren) en toegang zou kunnen krijgen tot alle stukken’, zag hij als ‘de enig doelmatige’ onderzoeksprocedure om de regering verantwoording te laten afleggen. Het ging hem niet om een historische reconstructie of een gerechtelijk onderzoek, maar om een staatkundige operatie. Tijdens het onderzoek van de commissie bleek overigens dat het niet zo makkelijk was om die zaken te scheiden.


Zijn voorstel werd na zeer uitgebreide en diepgaande discussie in licht gewijzigde vorm op 6 november 1947 door de Tweede Kamer aanvaard. De commissie zou gaan bestaan uit negen leden, onderverdeeld in drie subcommissies. De periode waarop het onderzoek betrekking had, was uitgebreid tot 20 november 1945, er was een lange lijst met getuigen die gehoord zouden worden en er werden nog enkele puntjes op de i gezet bij de formulering van de te onderzoeken thema’s. De commissie kreeg de opdracht mee in het bijzonder onderzoek te doen naar:


a. het militaire beleid gedurende de Meidagen van 1940 en, voor zover daarmee in onmiddellijk verband staande, vóórdien;

b. de wijze waarop in de Ministerraad het besluit tot het overbrengen van de zetel der Regering naar het buitenland is tot stand gekomen en de daaraan gegeven uitvoering;

c. de opvattingen, waardoor deze Kabinetten en hun leden zich hebben laten leiden ten aanzien van de voortzetting van de oorlog en de Nederlandse deelneming daaraan;

d. het aftreden van jhr. Mr. D.J. de Geer als Minister van Algemene Zaken en van Financiën en als Voorzitter van de Raad van Ministers;

e. de aan jhr. De Geer verstrekte opdracht voor een reis naar Nederlandsch-Indië en het falen daarin, alsmede de wijze, waarop hij naar Nederland heeft kunnen terugkeren;

f. de verhoudingen met het bezette Nederlandse gebied, in het bijzonder de militaire en civiele inlichtingendiensten (vragen van de heer le Poole, Aanhangsel Handelingen 1946, blz. 15);

g. het geven van leiding en voorlichting aan ambtenaren en burgers in de bezette gebieden;

h. het contact met en de politiek ten aanzien van de verzetsbeweging in Nederland;

i. het beleid ten aanzien van de organisatie der Nederlandse en binnenlandse strijdkrachten;

j. de voorbereiding van de organisatie van het bestuur na de bevrijding, onder andere het militair gezag en de uitvoering daarvan;

k. het financiële beleid, daaronder begrepen het aankoopbeleid;

l. de vertegenwoordiging van Nederland in het buitenland, en de behartiging der Nederlandse belangen aldaar;

m. de mate waarin en de wijze waarop de hulpverlening aan Nederlandse krijgsgevangenen en civiele gedetineerden heeft plaats gevonden;

n. het beleid betreffende de overzeese gebiedsdelen, daaronder begrepen het beleid der Nederlandsch-Indische Regering;

o. de moeilijkheden, welke zich in deze Kabinetten hebben voorgedaan, voor zover van invloed op de Regeringspolitiek, in het bijzonder de aan leden van die Kabinetten verleende ontslagen.

Vergadering van de Enquêtecommissie. De Volkskrant, 19 maart 1949.

Op 12 november werden de negen leden en negen plaatsvervangende leden van de enquêtecommissie benoemd. Jonkvrouw Bob Wttewaall van Stoetwegen was de enige vrouw in het gezelschap. Op 2 december 1947 werden de drie subcommissies ingesteld, die elk uit drie personen bestond. De eerste subcommissie hield zich bezig de politieke vraagpunten, de tweede met de militaire vragen en de derde met financiële en economische onderwerpen en de hulpverlening aan gevangenen. Voorzitter werd de jurist Leendert Donker. Hij gaf leiding aan het werk van de commissie, tot hij minister van Justitie werd in 1952. Vier jaar later, nog tijdens zijn ministerschap, overleed Donker, 56 jaar oud. Van der Goes, die Donker goed kende uit de vooroorlogse SDAP en met hem geïnterneerd was geweest in Sint Michielsgestel, schreef in zijn memoires: ‘Ik ben bang dat dit zenuwslopende werk [van de enquêtecommissie] waaraan hij een vaste, niemand ontziende, leiding gaf, mede zijn gezondheid heeft gesloopt.’

Publicaties van de Enquêtecommissie

Van der Goes had in 1947 bedacht dat het onderzoek na een jaar zou kunnen worden afgerond. De commissie had zelf de verantwoordelijkheid niet naar perfectionisme te streven, maar zich te concentreren op de hoofdzaken – vergelijkbaar met de wijze waarop het parlement jaarlijks de begroting behandelde. Dat bleek veel te optimistisch. Pas negen jaar later, op 11 december 1956 liet de enquêtecommissie weten ermee op te willen houden. Punt n, het beleid betreffende de overzeese gebiedsdelen, was niet afgerond, maar de commissie meende dat het ‘steeds bezwaarlijker en welhaast onaanvaardbaar’ was geworden nog getuigen op te roepen over kwesties die 15 jaar daarvoor hadden gespeeld. Ze zette er een punt achter.


Waarom liep het zo anders dan Van der Goes gedacht had? Hij zocht verantwoording van gevoerd beleid, maar in werkelijkheid moest eerst helder worden wat er eigenlijk gebeurd was. Het bleek buitengewoon ingewikkeld om dat boven water te krijgen.


Bronnen

Handelingen der Staten-Generaal. Tweede Kamer (HTK) 1948-1949, 29ste Vergadering, 17 december 1948.

HTK 1956-1957, kamerstuk 4561, Verslag van en voorstel tot beëindiging van de werkzaamheden der Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, ondernummer 1.

HTK 1947-1948, 9de Vergadering – 5 November 1947.

HTK 1947-1948, 10de Vergadering – 6 November 1947.

HTK 1947-1948, 12de Vergadering – 12 November 1947.

HTK 1947-1948, 21ste Vergadering – 2 December 1947.

Nederlandse Staatscourant, no. 22, 17 November 1948.

Marinus van der Goes van Naters, Met en tegen de tijd. Een tocht door de twintigste eeuw (Amsterdam 1980).

Anne-Marie Mreijen, De rode jonker. De eeuw van Marinus van der Goes van Naters (1900-2005) (Amsterdam 2018).


Foto

Van der Goes van Naters. Collectie Nationaal Archief / Charles Breijer / Anefo.

83 keer bekeken

© 2019 by Becker & Becker.