• TB

Gerard Dogger: 'des te kouder men het heeft des te minder bang is men'

Bijgewerkt: 9 dec 2019

Voor Gerard Dogger stonden de oorlogsjaren in het teken van de kou. Van de zolders waar hij was ondergedoken en het strand van Scheveningen tot zijn ontsnapping via Zwitserland en de ontvangst bij de Nederlandse regering in Londen.


En dat terwijl hij kwam uit een familie met 'verwarmend werk'. Doggers vader en oom waren firmanten in het familiebedrijf C. Dogger & Zn., een brandstoffenhandel in Amsterdam. Het bedrijf was begonnen door zijn grootvader, een schipper die in 1880 met een oude tjalk aanmeerde aan het Amstelveld en turf, hout en cokes ging verkopen. In 1955 bestond het bedrijf 75 jaar en omvatte het zeven dekschuiten en een lichter in de Prinsengracht, een kantoor en pakhuis aan het Amstelveld en een terrein in de Rietlanden. Doggers vader en oom zaten toen 50 respectievelijk 40 jaar in het vak, met Gerards broer Piet en neef Cornelis als derde generatie in het bedrijf. Gerard was de middelste van vijf kinderen en de derde zoon. In de zomer van 1938 slaagde hij voor zijn HSB-B examen aan het Hervormd Lyceum. Eind augustus bracht zijn familie hem naar Den Helder, waar hij begon aan zijn opleiding voor de zeedienst.

De mijnenveger Hr. Ms. Willem van Ewijck en de Hr. Ms. O 11. Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH).


Gezonken

Een jaar later werd de algemene mobilisatie afgekondigd. Doggers twee jaar oudere broer Piet werd geplaatst bij het 1e depot bataljon grenadiers in Den Haag. Gerard zou ingedeeld worden op de mijnenveger Hr. Ms. Willem van Eijck van de 1e Divisie Mijnenvegers, die veegoefeningen moest houden en de mijnversperringen langs de kust moest controleren. Maar nog voor het zover was, raakte het schip een mijn tijdens het leggen van een mijnenveld in de Waddenzee in september 1939, brak in tweeën en zonk. Drieëndertig bemanningsleden kwamen om.

Dogger werd geplaatst op de onderzeeboot Hr. Ms. O 11, die was ingedeeld bij de kustdivisie. De tweede reis die hij meemaakte was meteen de laatste. Op 6 maart 1940 voer de O 11 als laatste uit van drie onderzeeboten om op de rede en in de Texelstroom manoeuvres te houden om propagandamateriaal te filmen. De O 11 werd echter geramd door een door de marine gevorderde sleepboot. De voorste torpedokamer en batterijkamer maakten water, het schip zonk. Drie bemanningsleden kwamen om. Dogger bevond zich achter een waterdicht schot: ‘Om mij heen worden de orders van de commandant rustig opgevolgd. Men doet allerhande ingewikkelde dingen met kranen en kleppen en het lukt uiteindelijk om voldoende van de toren boven water te krijgen. We kunnen er net uit en iedereen die niet van dienst kan zijn bij het slepen van de beschadigde boot naar het marinedok wordt van boord gehaald. Ik dus ook; ik speciaal, denk ik, om opnieuw zinken te voorkomen.’


Opsporing gevraagd

Toen hij op 14 mei 1940 bij de verbindingsdienst het bericht over de capitulatie binnen zag komen, wilde hij met andere adelborsten in een sloep naar Engeland oversteken maar ze werden tegengehouden. Pas maanden later vond hij een plek om in actie te komen bij jonkheer Schimmelpenninck, bijgenaamd Oom Alexander. Voor Schimmelpenninck onderhield Dogger contacten met allerlei verzetsgroepen, bijvoorbeeld met die van hoogleraar Richard Schoemaker in Delft. Jan van Blerkom was Doggers contactpersoon. Maar er was een verrader in hun midden, Hugo de Man, die door Van Blerkom en Charles Hugenholtz werd geliquideerd. De politie was hen al op het spoor op het moment dat Dogger hen in Delft ontmoette, Dogger nam Van Blerkom mee naar Den Haag. Blijkbaar waren ze gezien, want korte tijd later stond er 'Opsporing gevraagd' met Doggers foto in de krant. Het huis van Doggers ouders werd in de gaten gehouden.

De courant, 05-09-1941, 2.

Schimmelpenninck bood hem meteen onderdak aan. Hij woonde op de eerste etage van Alexanderstraat 12, verder in gebruik door de studio van hoffotograaf Franz Ziegler. In de ochtend van 13 november kon Dogger maar net ontkomen, toen Schimmelpenninck van zijn bed gelicht werd. Hij werd gearresteerd door twee Nederlandse politiemannen - Poos en Slagter - gedetacheerd bij de Sicherheitspolizei. Dogger hield zich verscholen in de logeerkamer en hoorde alles. Zijn koffertje met spullen had hij klaar staan. De Edenhoed en regenjas van Schimmelpenninck kon hij net meenemen, het zouden zijn talismannen worden. Later ging hij nog een keer terug om vóór er een huiszoeking plaats vond, zo veel mogelijk spullen van het illegale werk mee te nemen. Cadet-sergeant Victor Makatita hielp hem twee kisten met papieren en wapens weg te brengen.

Samen met Makatita hield Dogger zich daarna twee weken verscholen in een villa in Wassenaar. Het voelde niet veilig om lang op een plek te blijven. 'Ik verhuisde elke paar weken, heb op en in de meest fantastische situaties gezeten. Ik herinner het mij ook allemaal niet in detail. De druk was vanzelfsprekend enorm; ik stond non-stop op mijn tenen: geestelijk gesproken. Regelmatige voeding was een probleem en ik herinner mij hoe verdomd koud het was die winter, vooral op die zolders.'


Op een bevroren strand

Eind november 1941 ontmoette Dogger zijn collega-adelborst Peter Tazelaar - die een opdracht van de Koningin bleek te hebben om kapitein Paul Tielens en Stuuf Wiardi Beckman naar Engeland mee te nemen. Tielens had echter geweigerd. Voor Dogger was dit dé kans. Om in Londen steun te vragen voor de groep rond Schimmelpenninck en de daarmee verbonden verzetsorganisatie Ordedienst. En om te ontsnappen aan de politie en de Sicherheitspolizei. Als plaatsvervanger van Schimmelpenninck had hij zoveel kennis dat hij veel mensen in gevaar zou kunnen brengen als hij opgepakt werd: ‘Ik bevond mij nu in een positie waarbij slechts ik alle contacten wist en alle strategische doeleinden kende.'

Dus ging Dogger mee met Wiardi Beckman en Tazelaar naar het strand van Scheveningen om te wachten op de Soldaat van Oranje die hen zou komen ophalen. De informatie die hij wilde meenemen, liet hij door Ziegler op microfilmpjes zetten die in zijn schoudervullingen werden bevestigd. Hij was klaar om te vertrekken, maar het bleek niet eenvoudig om weg te komen. Hoe vaak ze op het strand hebben gelegen, is niet meer na te gaan. Alle donkere en koude nachten dat ze op de strekdam lagen zonder een spoor van een roeiboot of motor gun boat te zien, lijken in Doggers herinneringen in elkaar over te zijn gegaan. Tijdens het wachten raakte Dogger bevriend met Wiardi Beckman. ‘Onze gesprekken krijgen meer variatie, warmte en kleur. De enige constante factoren gedurende deze nachten zijn de kou, de angst en de teleurstelling.’

Bij de pogingen in januari was de kou het ergst. De nacht dat Wiardi Beckman gearresteerd werd, konden Dogger en Tazelaar ontkomen door zich in het water verscholen te houden. Rinkelend van ijspegels, Tazelaar buiten bewustzijn, konden ze ternauwernood ontsnappen.

Zwitserland

Tazelaar en Dogger besloten daarna over land te vluchten. De vader van Chris Krediet, bracht hen eind januari 1942 tot de Belgische grens. Twee dagen later waren ze in Zwitserland. Daar werden ze vastgehouden. Bijna twee maanden later konden ze met de trein naar Spanje vertrekken, daarna met de boot naar Lissabon en het vliegtuig naar Engeland.

“Er zijn vanzelfsprekend hiaten in mijn herinnering; Peter en ik als ik aan die tijd terug denk moeten in een soort shock-situatie verkeerd hebben. Ik had maanden lang overdag binnen gezeten; bijna geen lichamelijke oefening en was toen plotseling aan het stunten geslagen op een bevroren strand en daarna een met 2 tot 3 voet sneeuw bedekte berg opgesneld om in Zwitserland te komen. Daarna twee weken in de meest onherbergzame gevangenis en al die tijd twijfelachtig gevoed. Ik herinner me geen stadium van shock; die was trouwens iets waar we nog nooit van gehoord hadden en dus niet herkend zouden hebben. Maar terugdenkend, moeten wij bijna wel in zulk een geestelijke situatie verkeerd hebben.’

Gerard Dogger. Collectie Beeldbank WO2 / NIOD. Larive en Dogger in 1944; Dogger en Larive in 1965. Collectie NIMH / Fotoafdrukken Koninklijke Marine.


Londen

Waren zijn verwachtingen te hoog geweest? De teleurstelling was in ieder geval enorm. In 1974 schreef Dogger: ‘Het valt mij moeilijk zelfs nu na al die jaren over deze koude douche namelijk London-in-1942 te schrijven (...) zonder een verlammend en verdrietig gevoel over mij heen te voelen komen.' Van luitenant-admiraal Johan Furstner, bevelhebber der Zeestrijdkrachten, kreeg hij de wind van voren omdat Dogger eerst aan de koningin had gerapporteerd, in plaats van aan hem. Interesse voor het bezet gebied had hij niet, zijn oorlog speelde zich af op zee. Aan Wilhelmina moest Dogger uitgebreid rapporteren en commentaar geven op informatie die binnenkwam uit Nederland. Maar voor de plannen die hij had om steun, geld en erkenning voor de Ordedienst te krijgen, kreeg hij niets gedaan in Londen: hoe kon hij voortgang maken in 'potdikke mist'?

Hij werd naar Lissabon gestuurd als attaché. In maart 1943 kwam Dogger terug in Londen, waar hij bij bij de inlichtingendienst geplaatst dreigde te worden. Maar: 'Ik had de buik meer dan vol van alle geheime diensten en smeekte Termijtelen of ik alstublieft een varende plaatsing mocht hebben en bij preferentie bij de Motor Torpedo Boten. De Admiraal was daar pal voor en enkele dagen later zat ik in de trein naar Dartmouth om mij te melden bij Larive.' Hans Larive was commandant van het Nederlandse flottielje. In 1944 kreeg Dogger de leiding over MTB 202, de Kemphaan, een plek die hij overnam van zijn jaargenoot adelborst Hans Bommezijn.

In 1974 schreef Dogger aan Lou de Jong: ‘Op de ellende op het strand van Scheveningen behoef ik niet in te gaan; als ik eraan terug denk begin ik automatisch te rillen niet alleen van de angst die wij ondergingen maar in dezelfde graad van de kou. Misschien was het laatste wel een voordeel; later als Commandant van een Motor Torpedo Boot in het Engelse kanaal, bevroren nat op de brug, begon ik mij te beseffen dat des te kouder men het heeft des te minder bang is men.’

De Motor Torpedo Boat 202. Collectie NIMH.

Bronnen

'Verwamend werk' in de rubriek Amsterdams dagboek van Dagboekanier, Het Parool 18-06-1955, 2.

Gerard Dogger, De vierkante maan. Een persoonlijk oorlogsrelaas (1979).

Dogger, Brief aan L. de Jong, 10 augustus 1974, Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, Algemeen Hoofdkwartier Ordedienst in afwikkeling, 481, inv. nr. 21. https://www.tracesofwar.nl/articles/2197/Onderzeeboten-van-de-O-9-klasse.htm

https://www.tracesofwar.nl/articles/1887/Hr-Ms-Willem-van-Ewijck.htm

0 keer bekeken

© 2019 by Becker & Becker.