• FB

Fritjof Dudok van Heel: ‘alles hangt tenslotte nog aan een zijden draad’

Nadat Gerard Dogger, Peter Tazelaar en Stuuf Wiardi Beckman een aantal malen tevergeefs op het strand op Erik Hazelhoff Roelfzema hadden gewacht, besloot Dogger in december 1941 om ‘hulptroepen’ mee te nemen. Zijn verzetsvrienden van de Ordedienst Chris Navis en Fritjof Dudok van Heel zouden de andere piertjes bewaken ‘om de weg te wijzen als die amateurs uit Engeland verkeerd landen’.


Fritjof Dudok van Heel en Gerard Dogger kenden elkaar uit de verzetsgroep rond jonkheer Joan Schimmelpenninck. Toen die hem op 7 november 1941 had gevraagd om zich geheel aan het illegale werk te wijden, had Dudok van Heel dat verzoek aanvaard en was naar Den Haag verhuisd. Eerder al, direct na de capitulatie was hij met enkele vrienden, ongeorganiseerd, aan illegale activiteiten begonnen. Daartoe voelde hij zich als reserve kornet van de Cavalerie verplicht. In augustus en september 1941 trad hij enkele malen op als ordonnans van kolonel Peter Versteegh, toen chef-staf van de OD. Die woonde op s’ Jacoblaan 16, op een steenworp afstand van Dudok van Heels ouderlijk huis op de Busken Huetlaan 10 in Bussum. Fritjof was verloofd met Versteeghs stiefdochter Bé der Kinderen.

Fritjof Dudok van Heel. Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie.

Fritjof Dudok van Heel was op 19 april 1918 geboren in Semarang. Zijn vader was administrateur van een suikerfabriek in de buurt van Kendal, ten westen van Semarang. Het gezin keerde na de crash van 1929 naar Europa terug en vestigde zich in 1932 in Bussum. In de zomer van 1938 behaalde Fritjof zijn diploma HBS-B aan het Christelijk Lyceum in Bussum. Aanvankelijk was hij vrijgesteld van militaire dienst vanwege ‘broederdienst’, maar die vrijstelling kwam te vervallen. Vanaf 10 oktober 1938 was hij in actieve dienst, per 2 januari 1939 bij het 1e Regiment Huzaren. Hij werd geplaatst op het depot van de cavalerie in Amersfoort: ‘alles meldt zich hier aan, tot de lichting 1929 toe. Dat zijn mensen die al ± 14 jaar uit de dienst zijn, getrouwde mannen, die nu net als de groenjassen (nieuwelingen), opnieuw afgericht moeten worden, door ons, piepjonge wachtmeesters.’


Als kornet was hij in de meidagen van 1940 commandant van het 3e peloton van het 3e eskadron van het 4e regiment Huzaren. Dat was gelegerd in Winssen, iets ten westen van Nijmegen in Gelderland. Al op 9 mei om 22.00 uur bereikten het eskadron alarmerende berichten. ‘Volgens vastgesteld plan werden de orders van Staf Brigade B, voor verhoogde en volledige strijdvaardigheid, uitgevoerd, waaronder bruggen bezetten, springladingen en versperringen aanleggen, e.d.’ In een verslag van 12 februari 1941 beschreef Dudok van Heel de oorlogshandelingen van de volgende vier dagen van zijn peloton. Op 12 en 13 mei raakten zij betrokken bij de gevechten rond Rhenen. Daarna moesten ze zich noodgedwongen terugtrekken. Toen het regiment op 14 mei in Achtersloot, ten zuidwesten van Utrecht, was gelegerd hoorden ze in de vooravond het bericht van de capitulatie. ‘Het 3e Peloton is gedurende alle oorlogsdagen volledig in de hand geweest. Er hebben zich geen ontvluchtingspogingen voorgedaan. Ordonnansen zijn steeds teruggekeerd en Huzaren die gewonden naar achteren vervoerden, hebben zich later weer teruggemeld bij hun commandant’, zo besloot hij zijn rapport.


Fritjof meldde zich aan bij de School voor Suikerindustrie in de Van Breestraat in Amsterdam en werkte als volontair bij de Suikerfabriek Holland in Halfweg. Maar dat hij zich bij het verzet zou aansluiten, lag voor hem voor de hand: ‘Ben trouw aan Koningin verschuldigd, dus moet ook werken voor Vaderland. Daadwerkelijk meehelpen is wat anders dan met de mond.’ Hij was niet de enige in het gezin. Zijn jongere zus Mun was koerier bij de Geheime Dienst Nederland. De familie had onderduikers in huis en een stencilmachine voor verzetswerk. Zijn vader stierf aan een hartaanval op oudejaarsavond 1942, toen hij op straat werd aangehouden.


Bij de Ordedienst werd Fritjof verbindingsofficier. Zo verzorgde hij enige tijd de verbinding met de gewestelijke OD-organisaties in Friesland, Limburg, Overijssel en de Achterhoek en was betrokken bij de financiering van de organisatie door Auguste van Lennep. Na de arrestaties in de top van de OD, moest Fritjof samen met Chris Navis vanaf maart 1942 de organisatie overeind proberen te houden. Ze zagen elkaar eens in de veertien dagen, ‘waarbij wij elkaar in groote lijnen onze vorderingen mededeelden en beiden nogal geheimzinnig waren’, zo schreef Navis na de oorlog. Dudok van Heel was maar net ontkomen toen er begin maart een inval gedaan werd op zijn adres in de Piet Heinstraat. Zijn hospita had de Gestapo naar de bovenverdieping gestuurd, terwijl hij beneden sliep. Navis had vervolgens de spullen uit zijn kamer gehaald.


Maar op 14 juli liep het fout. Cees van der Put, die sinds een maand als koerier van Dudok van Heel fungeerde, haalde hem op in Amersfoort, waar Fritjof bij zijn schoonzus logeerde. Daarna werden ze beiden opgepakt. Van der Put verraadde alles bij zijn verhoor en werd vrijgelaten. Dudok werd gevangen gehouden: tot 7 november 1942 verbleef hij in strenge Einzelhaft in Scheveningen, tot ongeveer 18 januari 1943 was hij geïnterneerd in Amersfoort, tot 12 maart in Vught.


Uit de gevangenis in Haaren had Fritjof een groot aantal boodschappen naar zijn verloofde Bé der Kinderen weten te sturen. Bé werd na de oorlog een van de belangrijke verslagleggers van de geschiedenis van de OD.


Over Scheveningen schreef hij: ‘Einzelhaft (streng) ohne Begünstigung, Briefverkehr oder Lüften. Daarmee zonderen ze je volkomen af van elk ander levend wezen. Toen ik na 3 mnd. eindelijk een boek in handen had, kon ik wel huilen van plezier.’ Sachbearbeiter Walter Bartels had tijdens de verhoren gedreigd zijn ouders en zusje gevangen te nemen. ‘Niet hard geslagen, doch veel geplaagd met kruisverhoren op gekste momenten. ’s Nachts uit bed gehaald of vlak voor eten als dit reeds in gang is gehoord. Onthouding van maaltijd. Eerste 2 dagen niets gekregen. Wel roken. Duizelig van slapte en langdurig verhoor, soms 6 à 7 man tegelijk.’


Het regime dat hij in de Kampen Amersfoort en Vught meemaakte was barbaars. Mishandeling, ondervoeding, doodslag en moord, vernedering, uitputting. Het ‘ophitsen van half afgerichte honden’, de volstrekt onvoldoende kleding, het staan in de kou, de willekeur en het sadisme. De Joodse gevangenen hadden het het zwaarst te verduren.


Op 15 maart 1943 begon in Haaren het zogenoemde Tweede OD-proces waar Dudok van Heel met 99 anderen werd aangeklaagd. Over het proces in Haaren schreef hij dat vanwege de vele verhoren en confrontaties, de OD’ers er snel achter kwamen als anderen meer toegaven dan zij. Uit zijn 24 pagina’s lange verklaring moest Dudok van Heel woorden, soms hele bladzijden intrekken, ‘als uit andere getuigenverklaringen [het] tegendeel bleek’. Eerste luitenant Pieter Vroom, die met Navis had samengewerkt en Van der Put bij de OD had geïntroduceerd, bleek mee te werken: ‘Practisch alle Gew.[estelijke] Ctn.[Commandanten] genoemd. Belofte dan rest vrijuit […].’ Hij kwam ook bij Fritjof: ‘Zeg nu maar alles, het mes moet erin gezet om erger te voorkomen.’


Op 27 april werden 21 van de aangeklaagden ter dood veroordeeld. Ze werden naar het Huis van Bewaring in Utrecht gebracht. Daarna was het afwachten. Zou een gratieverzoek werken, revisie? Als sabotage en spionage niet bewezen konden worden, leek er nog hoop te zijn. Op 5 juli schreef Dudok van Heel in de clandestiene correspondentie aan Bé der Kinderen: ‘Inderdaad is onze zaak hoopvol, doch alles hangt ten slotte toch aan een zijden draad. Hangt er nu maar van af, of die draad sterk genoeg is voor het gewicht.’ Dat bleek niet het geval. Er werden slechts vier gratieverzoeken verleend, aan Willem Kolff, Nicolaas Tibo, Jan Velu en Willem Roëll.


Zestien mannen werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd, onder wie Joan Schimmelpenninck, Gerard Vinkesteijn, Anton Abbenbroek, Eddy Latuperisa, Johan de Jonge Mellij, Lex Althoff, Sieg Vaz Dias en Fritjof Dudok van Heel. Broer Moonen werd wegens ziekte later gefusilleerd, op 7 augustus.

De Graafschap-bode, 6 augustus 1943 en Algemeen Handelsblad, 4 december 1945.

Bronnen

Gerard Dogger, De vierkante maan. Een persoonlijk oorlogsrelaas (Amsterdam 1979).

Brief van Fritjof Dudok van Heel aan zijn zus, 29 augustus 1939. Privécollectie Dudok van Heel.

Verslag van Chris Navis, 1946, met aantekeningen van Navis, P.J. Six en E. der Kinderen. Nationaal Archief, Ordedienst en de Binnenlandse Strijdkrachten, en Afwikkelingsbureau, inv. nr. 368, map 21-22.

Brief van E. der Kinderen aan H.F. Hoyer, 18 oktober 1945. NIOD, Algemeen Hoofdkwartier Ordedienst in afwikkeling (OD), 481, inv. nr. 27.

Correspondentie en verslag van Fritjof Dudok van Heel. NIOD, OD, 481, inv. nr. 25.

Mededelingen Fritjof Brave aan de auteurs.

0 keer bekeken

© 2019 by Becker & Becker.