• FB

De laatste uren van dr. Wiardi Beckman

Ed. Hoornik, Het Vrije Volk, 31 mei 1945

De schrijver Ed. Hoornik, die sinds enkele dagen in het bevrijde Nederland is teruggekeerd uit Duitse gevangenschap, was in het concentratiekamp Dachau gedurende de Maartdagen van dit jaar, de tijd waarin onze vroegere hoofdredacteur dr. Wiardi Beckman daar aan vlektyphus is overleden. Hij zond ons een ontroerend verhaal over Beckmans laatste uren, waaraan wij het volgende ontlenen:


Hij stond in de lange rij gevangenen, het etenspannetje onder de arm, toen ik hem voor het eerst in Dachau ontmoette. Hij zag er uitstekend uit. Ik kwam juist van de bibliotheek, waar ik een roman van Mauriac had gehaald. Een minuut na onze vreugdevolle kennismaking voerden we, terwijl we in de overvolle slaapzaal, staande tussen de bedden, onze soep aten, een gesprek over den Fransen schrijver. Dat typeerde hem. Niet de verschrikkingen van het concentratiekamp Natzweiler, van waaruit de gevangenen zojuist in verband met de nadering der Geallieerde troepen naar Dachau geëvacueerd waren, en waar Wiardi Beckman als schrijver in het ziekenhuis had gewerkt, vormden het onderwerp van ons eerste gesprek, maar de Franse literatuur, die hij lief had en waarvan hij een uitstekend kenner was.


Evenals de meeste andere Nederlanders, die uit Natzweiler naar Dachau waren gebracht, behoorde Beckman tot de zgn. “Nacht und Nebel Häftlinge”: de zwaarst gestraften, die volkomen van de buitenwereld waren afgesneden en geen post, pakket enz. mochten ontvangen.


Daar tengevolge van de dagelijks binnenkomende transporten uit kampen, die in verband met de ontwikkeling van de oorlog geëvacueerd moesten worden, Dachau overvol was, gingen zij aanvankelijk tussen de andere gevangenen verloren, tot op het ogenblik, waarop het bevel afkwam, dat de “N.N.-ers”, die “buiten de poort” werkten, van hun commando waren ontheven. Ook Beckman verloor zijn post, waar hij het gedurende de wintermaanden betrekkelijk goed had gehad, en werd overgebracht naar de barak “N. und N. Häftlingen”. In die dagen vooral heb ik zijn zielskracht, zijn moed, zijn godsvertrouwen en zijn rust bewonderd. Nooit liet hij zich uit zijn evenwicht brengen door de geruchten, die in het kamp de ronde deden over het lot, dat hem en zijn vrienden wachtte. Hij las vrij veel – om zes uur ’s morgens isoleerde hij zich zo goed en zo kwaad als het ging met Homerus, en een enkele maal schreef hij ook: in de moeilijkste omstandigheden kon hij zich volledig concentreren.


Terwijl men opnieuw pogingen deed Wiardi Beckman een commando te bezorgen, ditmaal binnen de poort, om hem van een transport te vrijwaren, brak een vlektyphusepidemie in het kamp uit, die dagelijks honderd en meer mensenlevens eiste. Beckman, die in Natzweiler tegen deze ziekte was ingeënt, maakte zich geen ogenblik ongerust: hij was overtuigd er heelhuids door te komen en aanvaardde dan ook de functie van “Stube-Alteste” in een barak, die volledig verluisd was en waar zich dag in dag uit nieuwe typhusgevallen voordeden. Enige weken heeft hij hier nog uitstekend werk verricht: hij spande al zijn krachten in voor een grondige desinfectie en hielp voor zover hij in deze ten hemel schreiende omstandigheden kon helpen.


’s Avonds, na het inrukken der commando’s, staande achter het prikkeldraad, dat om deze quarantainebarak gespannen was, op drie meter afstand van elkaar, wisselden we soms even van gedachten. In het kort vertelde hij over de ongehoorde moeilijkheden, waarmee hij had te kampen, over het tekort aan middelen om de barak te zuiveren, en altijd als ik weg ging, had hij enige bemoedigende woorden. Ik herinner me in dit verband, hoe wij, na een half uur lang op de appèlplaats in de stromende regen gestaan te hebben, onder marsmuziek naar de barakken terugkeerden. Ik had het gevoel, alsof we langzaam een afgrond inliepen, en juist toen ik hem dit wilde zeggen, begon hij een gesprek over den dichter A. Roland Holst. Toen, terwijl de muziek ver voor ons uit was en nauwelijks hoorbaar, citeerde hij, terwijl hij zijn arm door de mijne schoof, een strofe uit “Een winter aan zee”.


Het einde

Het werd voorjaar. De vlektyphus-epidemie nam af, de geallieerde legers kwamen nader. Een avond, tijdens een sneeuwbui, ging ik naar Beckman toe om hem het Duitse legerbericht mee te delen. Juist toen ik voor zijn barak stond, werd luchtalarm gegeven, en gingen de lichten in de Lagerstraat uit. Het duurde langer dan gewoonlijk voor hij kwam. Hij riep mij toe, dat hij zich niet prettig voelde en koorts had. Het zal een verkoudheid zijn, zei hij: hij dacht niet aan vlektyphus. Hij verontschuldigde zich, dat hij niet langer kon praten. Een paar seconden zag ik hem gaan door de sneeuw, rechtop als altijd, voor hij verdween in de barak.


De volgende dag zocht een der Nederlandse doktoren hem op en had hij hoge koorts. In het hospitaal, waar hij onmiddellijk heengebracht werd, hebben bevriende medici alles gedaan om hem te redden. De laatste acht en veertig uur was hij buiten kennis. Na een ziekbed van zes dagen, de vijftiende Maart, is hij overleden. De Nederlanders waren stil die avond. Zij stonden in groepen bij elkaar, verbeten, ontroerd, zwijgend. Noch wij, noch Nederland konden hem missen.


Niet om de ideologie, die hij aanhing, noch om de overtuiging, die hij beleed, was hij ons aller vriend, maar om zijn zielskracht, die ons sterkte, zijn karaktervastheid en oprechte handelwijze, die eerbied afdwongen, en om zijn talent en kennis, die ons verrijkten.

Drie pasfoto's van Ed. Hoornik. Fotocollectie Letterkundig Museum.

59 keer bekeken

© 2019 by Becker & Becker.